Irene Wing Easton

Op deze pagina vind je mijn columns, blog of stukjes (het is maar hoe je het wilt noemen, toch?) én het laatste nieuws!

Volg Irene op sociale Media

My Image

Laatste nieuws

In het septembernummer van Psychologie Magazine staat een interview met mij. Lees meer op de pagina In de pers.
De (werk)titel van de roman is bekend gemaakt. Lees het op de pagina Boeken. Je vindt daar ook de foto van één van de personages die een bijrol heeft.
Ik ben druk bezig met het laatste schuur- en schaafwerk van de roman. Binnenkort kun je op de pagina Boeken de eerste pagina’s lezen.

Columns / Blogs / Stukjes

  • Look

    ‘Nou, dat denk ik dus echt niet’, zegt de man die zijn boodschappen al afgerekend heeft wanneer ik bij de leukste kassière van het dorp aanschuif. Terwijl zij mijn broden pakt, discussieert hij met haar over wie er het meeste doen: mannen of vrouwen.
    De kassière, A. heet ze, weet het wel.
    ‘Vrouwen doen het meeste, dat was ook op tv.’ De man is het er niet mee eens en valt zijn soortgenoten bij. Ik vraag beleefd of ik bij de band mag, zodat ik de broden en groente alvast in mijn tassen kan doen. Hij gaat meteen achter mij staan.
    ‘Het is trouwens wetenschappelijk bewezen dat vrouwen het meeste doen’, kan ik niet nalaten over mijn schouder tegen hem te zeggen.
    ‘Dat is zo’, valt A. me bij,  ‘en ZIJ weet het’. 
    ‘Jaja, zegt de man, ik kén haar wel hoor!’  
    Mijn ergernis verdwijnt meteen. Wat vind ik dat nou leuk, hij kent ‘Moe is Moe maar voldaan’. Ik hoor het vaker hoor, vrouwen die vertellen dat ze op de bank hardop zitten te lachen om mijn boek en dat hun vriend of partner het uit hun handen trekt omdat deze ook wel eens even wil lachen en het vervolgens helemaal uitleest. Ik knik hem vriendelijk toe en ga door met mijn boodschappen in tassen te doen.
    ‘Ik kom straks trouwens even bij jou langs’, zegt de man. Nu schrik ik, dat is nou ook weer niet de bedoeling. De ontzetting is waarschijnlijk van mijn gezicht af te lezen.
    De man kijkt me ineens streng aan.
    ‘Ja, jij bent toch van de wasserette?’
    De hand van kassière A. blijft zweven. Ik stop met inladen en kijk A. aan. Ik zie haar denken: Ze schrijft én heeft een wasserette, dat wist ik helemaal niet. Ik grijns.
    ‘Nou ik doe wel heel véél was maar een wasserij is het bij ons thuis nou ook weer niet.’  
    A. giert het uit. De man gaat er snel van door.
    Wanneer ik even later mijn tassen in de bak van mijn fiets zet, staat hij weer naast me.
    'Sorry van die wasserij maar je lijkt zo op de vrouw die daar werkt. Jullie hebben dezelfde look.’
    Als ik naar huis fiets, zie ik het voor me hoe hij de vrouw waar hij zijn was heen bracht een standje geeft over de vlekken in het wasgoed. Wat voor kleur ooglapje zou zij hebben?

  • Vrijheid blijheid

    Op deze zaterdag kijk ik terug op de week, die er een was van tegenstellingen.
    Het begon met de aanslag op de homobar in Orlando, daarna werd een Frans politie-echtpaar doodgeschoten en toen nog de Britse veelbelovende parlementariër Jo Cox.   
    Moord is altijd vreselijk. Politieke moord, doden om iemands geaardheid, of geloof  dat maakt het allemaal nog erger. De daders willen mensen de mond snoeren, letterlijk.
    Ik houd van letters en de mogelijkheid je ermee uit te drukken. Ik denk aan de slachtoffers die vanwege de woorden die ze ooit uitspraken of schreven, neergeknald of gestoken zijn. Geen vrijheid van meningsuiting.
    Ik zie voor me hoe mensen, die vanwege het feit dat ze zich op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats bevinden, toevallig de pineut zijn. Zij waren niet vrij om te gaan en te staan waar ze wilden, toen ze die avond de homobar betraden.
    Ook de top van het Belgische kabinet en hun familieleden, kunnen zich sinds een paar dagen niet meer zonder politiebewaking bewegen, vanwege terreurdreiging.
    In deze zelfde week hoorden we dat ons Kind geslaagd is. De vlag werd opgehangen, de rugzak eraan, er kwam taart en er waren vreugdetranen.
    Ik plaatste een foto van vlag en tas op sociale media, om mijn blijdschap te uiten. Blijheid voor mijn kind. Het regende likes.
    Een persoon mopperde en vroeg zich af of het nou werkelijk nodig was al die vlaggen in zijn tijdlijn.
    Een andere, notabene bejaarde dame, reageerde onder mijn foto:  
    ‘Gefeliciteerd, geslaagd zijn geeft zo’n heerlijk vrij gevoel.’ Ze verwoordde daarmee precies de gedachte die heel veel mensen (inclusief ikzelf) hebben, wanneer ze aan hun eigen slagen na het eindexamen terugdenken.
    Vrijheid blijheid.
    Juist deze week extra belangrijk om bij stil te staan.

  • Methode

    ‘Jij wilde toch zo graag een huisdier?’ zeg ik tegen Kind dat het eerst beneden was voor het ontbijt en me zojuist meedeelde (lees: meegilde) dat er een spin in de hal zit.
    Ik loop achter haar aan en slik. Oeps. Geen spinnetje maar een spin. Zo eentje waar ik vroeger mijn vader voor riep. Pappa haalde dan zijn zakdoek tevoorschijn, modelleerde deze tot een soort vangnet en húp daar holde de spin weg maar niet voor lang, uiteindelijk was spin gevangen in zijn hand. Huh!
    ‘Dood dood maak hem dóód’, gilde ik dan.
    ‘Welnee’, zei mijn vader terwijl hij de zakdoek én de spin voorzichtig in het kommetje van twee handen hield, maak de deur eens even open dan brengen we hem naar buiten. Het is zonde om een dier zomaar dood te maken, spinnen zijn hele núttige beestjes.’
    Nu sta ik in onze hal en staar naar boven. Net onder het plafond zit dus een joekel op de muur. Mijn vader kan ik niet meer roepen, die is allang dood.
    ‘We moeten hem vangen, hij moet naar buiten’, zeg ik. ‘Nee, roept Kind, hij moet dóód!’
    Shit, denk ik, waar is Man nu ik hem nodig heb? In het buitenland aan het werk, dus ook met een smoesje naar huis lokken gaat niet lukken.
    Even overweeg ik de spin gewoon te laten zitten… en een betoog te houden over het nut van deze dieren, dat ze mugjes en vliegjes opeten waar wij dan fijn geen last meer van hebben bladiebla. Toch doe ik dat nog even niet.
    De spin zit namelijk zo’n veertig centimeter boven onze kapstok. Het idee dat hij straks naar beneden wandelt en eens lekker in de kraag van een jas gaat zitten...Huh!
    Ondertussen zijn er meer Kinderen wakker en werpen een vluchtige blik op De Spin waarna ze ineens allemaal druk zijn met broodtrommels die gevuld moeten worden en dergelijke.
    Dan zeg ik het.
    ‘Ik zal hem weghalen.’
    Vanuit de keuken klinkt het viermondig: ‘Durf jij dat?’
    Ik besluit over te gaan tot mijn methode ‘Net - doen - alsof.’
    ‘Já hoor!’
    Dan wordt er geroepen: ‘Dat kan jij toch niet, het is te hoog en die spin is te snel.’
    Nou dat had ik zelf natuurlijk allang bedacht maar toch pak ik de ladder én een glas én een stuk papier.  Onder luid gegil van een van de kinderen, de enige die het kan aanzien, plaats ik het glas over de spin en schuif  het papier tussen muur en glas. ‘Dóód’ klinkt het onder mij. Terwijl ik de ladder zonder vallen afdaal zeg ik zo luchtig mogelijk (terwijl ik wel kan krijsen zo HUH vind ik het) ‘Doe jij de voordeur even open dan breng ik hem naar buiten. Spinnen zijn hele nuttige beestjes.’

  • Brein

    Eigenlijk zou ik wel eens even lekker door de tuin willen rauzen. Onkruid wieden, dooie takken weghalen, dat soort dingen. Maar nu ik nog herstellende ben (het gaat al beter, dank u) van de operatie is het niet verstandig om lichamelijk zo te keer te gaan.
    Maar dat heeft ook nog wel een voordeel. Er is geen reden om niet achter de computer te gaan zitten en te tieperdetiepen aan de roman. En dat doe ik dan ook. Op de dagen dat mijn brein het toelaat.
    Want die hersenstam van mij vindt bepaald niet alles goed en vooral als ik te veel heen en weer scrol of te veel lees, krijg ik op mijn lazer en word getrakteerd op een pijnlijke aanval. Dan kan ik niet in de tuin rondhopsen én niet aan mijn boek werken. Af en toe kan ik mijn hersenpan wel schieten, dan baal ik zo van dat falende geval.
    Maar ik neem die woorden nu terug.
    Mijn brein is eigenlijk heel erg oké!
    Gisteren was ik zo lekker aan de slag met mijn manuscript, dat ik na het avondeten dacht: ‘Ik ga nog éven door.’ Natuurlijk waren er onderbrekingen bijvoorbeeld om Kind gezellig in bed te stoppen, Man die vanuit Buitenland belde bij te praten maar daarna tieperdetiepte ik door terwijl de oudste drie nog een programma op de teevee keken. De één na de ander stak zijn of haar hoofd om de hoek en wenste me welterusten en ik besloot nog éven verder te gaan want de ruwe versie van het te herschrijven hoofdstuk was op drie pagina’s na af. Ik rook de stal als het ware en wilde dóór.
    Maar al doende kwam ik op een punt dat ik dacht: Er mist iets in dit hoofdstuk. Maar wat?
    Ineens concentreerde ik me niet meer zo goed, begon te fantaseren over het runnen van een boekwinkel (nee mijn roman gaat helemaal niet over een boekwinkel) en dacht alles eens lekker uit (wel een koffiehoek, géén kantoorartikelen erbij).
    Uiteindelijk sprak ik mezelf eens stevig toe ‘Nu niet meer afdwalen, focus Irene’ en in de nachtelijke stilte maakte ik de pagina’s af. Uiteindelijk ging ik slapen met de gedachte ‘er mist nog steeds iets’.
    Maar let op, nou komt het! 
    Toen de vogels in -de -tuin -met -onkruid mij ’s ochtends wakker zongen, wíst ik het.   
    Een van de personages moest nog ergens op reageren! Ongelooflijk, dat brein van mij had gewoon doorgewerkt.
    Mij hoor je niet meer klagen.

  • Hee hallo!

    Vanmiddag kwam ik de wachtkamer van de huisarts binnen, groette het handjevol mensen dat er zat en zocht een plaatsje uit. Meestal neem ik bij zulke gelegenheden een boek mee om de tijd te doden maar dat was ik dit keer vergeten. De Gelderlander was al in handen van de andere wachtenden en dus zat ik gewoon lekker wat te suffen, ook wel eens fijn. Het was er stil, het was er rustig en dus kon ik een beetje nadenken over wat we deze week zullen eten, de inrichting van de wachtkamer eens bekijken en concluderen dat de kinderhoek erg leuk is, een beetje met mijn voet wiebelen, dat soort dingen.
    Toen ik wat meer bij bewustzijn kwam ging mijn blik naar de klok (het duurde lang) en daarna naar de andere wachtenden. Hee, wat was dat, er was een nieuw persoon bij gekomen, een man die ook wat voor zich uitstaarde zonder iets te zien. Ik kende hem.  
    Dat was onmiskenbaar T.
    ‘Hee T., hallo!’, wilde ik zeggen maar kon nog net op tijd mijn mond dichtklappen. T. is een belangrijk personage uit mijn #romaninwording! T. bestaat niet echt maar hier zat hij. Ik had de neiging diezelfde mond weer open te laten hangen van verbazing. Ik moest uitkijken hem niet aan te gaan staren maar echt ik zweer het jullie, hij was het hélemaal

  • Zou

    Mijn mobiel laat weten dat er een beller is. Ik neem op zoals ik dat altijd doe. ‘Met Irene Wing Easton.’
    Beller: ‘Met Floortje!’
    Ik moet daar even over nadenken want ken wel een Noortje en een Floor maar geen FloorTJE. Vergeet ik iemand? Beter maar gewoon vragen.
    Ik: ‘Floortje ik weet eerlijk gezegd even niet wie jij bent.’
    Floortje: ‘Wie ben jij dan?’
    Ik: ‘Irene Wing Easton!’
    Floortje: ‘Oh.’
    Nu begint het me te dagen, ze wil natuurlijk een van de andere gezinsleden spreken en die hebben immers Mans achternaam.
    Ik: ‘Naar wie ben je op zoek Floortje?’
    Floortje: ‘Naar mijn moeder.’
    Ik: ‘Oh…dan heb je denk ik het verkeerde nummer getoetst.’
    Floortje: ‘Dat zóu kunnen.’

  • Vertrouwen

    Met een winkelwagen vol etenswaren kom ik bij mijn vierwiel-fiets aan. Ja het past allemaal weer nét in de bakken die voor en achter bevestigd zijn. Terwijl ik tassen inlaad, realiseer ik me wat er niet bij zit.
    Hardop ontglipt me een: ‘Oh nee hè, ben ik het IJS vergeten!’
    Vanaf het bankje naast mijn fiets klinkt een rauwe stem.
    ‘Ga maar even terug, ik let wel op je spullen.’ Wanneer ik opzij kijk zie ik een vrouw van een jaar of zestig zitten, die net een trekje van haar sigaret neemt.
    ‘Doe maar, ik zit hier nog wel even’, maant ze me. Ik wik en weeg, kun je een fiets met tassen, winkelwaarde vierenvijftig Eurietjes zomaar achterlaten bij een wildvreemde?
    De lippen van de vrouw zuigen zich in afwachting van mijn antwoord, nogmaals vacuüm rond de sigaret. Ik beoordeel haar blik en geef antwoord.
    ‘Oudste doet eindexamen, ik heb hem ijs als toetje beloofd.’ Samen kijken we haar rookwolkje na.
    ‘Wat je belooft, moet je waar maken’, zegt ze.

  • Market Garden herhaalt zich

    ‘Het rook net zoals vandaag. Het was ook zulk weer, overdag zonnig en een beetje vochtig, maar ’s nachts koud.’
    Ik knik, al kan mijn moeder dat niet zien omdat we elkaar aan de telefoon spreken. Elk jaar rond deze tijd vertelt ze me hetzelfde verhaal, al komen er elk jaar meer herinneringen bij.
    ‘We woonden in Oosterhout, dus precies tussen de gevechten. We zaten dagenlang in die schuilkelder. De buurjongens hadden hem gegraven, je moest er op handen en voeten in kruipen en dan met z’n twintigen dicht op elkaar zitten. Het was een goede plek daar aan de rand van de bongerd, bij ons had het niet gekund want onze boerderij stond langs de weg, dus veel te gevaarlijk.’
    Ik zie het huis met de rode dakpannen en de schuren voor me. Mijn moeder vertelt verder.
    ‘We hoorden de koeien loeien, ja die arme dieren wilden gemolken worden. We aten appels. Telkens als het geknal luider werd, riepen de buren: ‘Bidden, hárder bidden!’
    Op een gegeven moment kwam er zo’n geweer de schuilkelder in, op ons gericht. Het was een Duitser, totaal in paniek, die zijn manschappen kwijt was geraakt. We waren zo bang dat hij in zijn angst ons allemaal zou neerknallen en probeerden hem te sussen, gaven hem thee, lieten hem bij ons rusten. Later hebben we gehoord dat er een Duitser neergeschoten is, die alleen was.
    Toen het knallen minder werd zijn we gaan lopen. Kwamen we in de buurt van Nijmegen, dan zag het er niet best uit en gingen we toch maar weer terug, de andere kant uit. Daar werd ook flink geschoten dus maar weer terug richting Nijmegen.
    Er waren mensen die ons wenkten en binnen vroegen. Ze wilden graag weten wat we hadden beleefd, wat we hadden gezien (hoe het ervoor stond) en gaven ons havermoutpap. Toen ik aan die pap zat moest ik ineens zo huilen, zo vréselijk huilen.’
    Ik knik weer en mijn stem bibbert als ik zeg: ‘Ik vind het zo erg dat je dit moest meemaken.’

@ 2016 Irene Wing Easton | Design Vavendel | Neem contact op met Irene